
Bijengezondheid is meer dan het herkennen en bestrijden van ziekten. Goede voeding, een geschikte standplaats, een stabiel nestklimaat, weinig verstoring, ziektepreventie en het onder controle houden van varroa zijn de basis voor een gezond en vitaal bijenvolk. Goed observeren is enorm belangrijk om problemen vroeg te herkennen.
Bij bijengezondheid denken we al snel aan varroa, virussen, Nosema of vuilbroed. Logisch, want als imker wil je ziekten herkennen en weten wat je moet doen wanneer een bijenvolk ziek wordt.
Maar eigenlijk begint bijengezondheid veel eerder.
Een gezond bijenvolk is niet simpelweg een volk zonder ziekte. Gezondheid wordt grotendeels bepaald door voeding, huisvesting, weersomstandigheden, parasieten, ziekteverwekkers én als laatste, maar zeker niet de minste: de manier waarop je als imker met je bijenvolken omgaat.
Wil je gezonde bijenvolken houden, kijk dan eerst goed naar de omstandigheden waarin honingbijen van nature leven.
Wat is een gezond bijenvolk?
Een gezond bijenvolk is vliegt bij goede weersomstandigheden actief, heeft voldoende voedsel reserves en heeft in het seizoen een aaneengesloten broednest met broed in verschillende ontwikkelingsstadia (BRIAS: BRoed In Alle Stadia). De bijen hebben geen afwijkingen of misvormingen en het volk ontwikkelt zich passend bij het seizoen.
Dat betekent niet dat er geen ziekteverwekkers of parasieten aanwezig zijn.
Ook in gezonde bijenvolken komen virussen, schimmels, bacteriën en parasieten voor, maar veroorzaken geen noemenswaardige schade. Gezondheid draait daarom niet alleen om de aanwezigheid van ziekteverwekkers, maar ook om de mate waarin een bijenvolk daarmee kan omgaan.
Dat is een belangrijk uitgangspunt voor bijengezondheid.
1. Zorg voor een goede standplaats
Een gezond bijenvolk begint met een geschikte omgeving.
Zet bijenkasten bij voorkeur op een droge en beschutte plaats. Voorkom plekken waar de kasten voortdurend worden blootgesteld aan harde wind, vocht of extreme hitte.
Kijk ook verder dan alleen de plaats waar de kast staat.
Honingbijen kunnen kilometers vliegen om voedsel te verzamelen. Binnen hun vliegbereik moet gedurende het seizoen voldoende nectar en vooral voldoende stuifmeel beschikbaar zijn.
Een drachtkalender is een eenvoudige manier om dit in beeld te brengen. Noteer welke belangrijke drachtplanten rondom je bijenstand voorkomen en wanneer ze bloeien. Zo ontdek je vanzelf perioden waarin het voedselaanbod beperkt is.
Onderzoek laat zien dat schommelingen in de beschikbaarheid van stuifmeel gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid en ontwikkeling van honingbijen (Di Pasquale et al., 2016).
2. Goede voeding is de basis
Stuifmeel is voor honingbijen de belangrijkste natuurlijke bron van onder andere eiwitten en vetten. Vooral jonge bijen hebben stuifmeel nodig voor hun ontwikkeling en voor de productie van voedersap.
Niet ieder stuifmeel heeft dezelfde voedingswaarde. De samenstelling verschilt sterk tussen plantensoorten. Onderzoek van Di Pasquale et al. (2013) laat zien dat de kwaliteit van stuifmeel invloed heeft op de fysiologie van jonge bijen en hun tolerantie voor Nosema. Diversiteit van verschillende stuifmeelbronnnen blijkt daarbij van belang.
Een omgeving waarin gedurende het bijenseizoen verschillende goede stuifmeelbronnen beschikbaar zijn, geeft een bijenvolk meer mogelijkheden om in zijn voedingsbehoefte te voorzien.
Ook voldoende honingvoorraad is belangrijk.
Een gezond volk moet perioden zonder dracht zelf kunnen overbruggen. Bijvoeren kan soms noodzakelijk zijn, maar is geen vervanging voor een goede standplaats met voldoende voedselbronnen.
3. Zorg voor een goed nestklimaat
Honingbijen besteden veel energie aan het reguleren van temperatuur en vocht in hun nest. De temperatuur van het broednest wordt nauwkeurig gereguleerd. Werksters dragen daar actief aan bij door warmte te produceren of juist het nest te koelen (Stabentheiner, Kovac & Brodschneider, 2010).
Dat is interessant wanneer je kijkt naar de natuurlijke huisvesting van honingbijen.
Seeley & Morse (1976) onderzochten natuurlijke nesten van honingbijen in holle bomen. De nestholtes hadden een gemiddelde inhoud van ongeveer 30 tot 60 liter. De vliegopening was klein en bevond zich dicht bij de bodem van de nestholte.
Een boomholte heeft bovendien veel dikkere wanden dan de dunne wand van standaard houten bijenkasten.
Goede isolatie helpt het bijenvolk bij het reguleren van het klimaat in de kast. Dat is niet alleen in de winter belangrijk. Ook tijdens koude voorjaarsnachten en warme zomerdagen kan isolatie temperatuurschommelingen beperken.
Een droge, beschutte en goed geïsoleerde bijenwoning is daarom belangrijk voor een goede bijengezondheid.
4. Verstoor een bijenvolk niet vaker dan nodig
Een bijenkast openen is misschien een eenvoudige handeling. Voor het bijenvolk betekent het een verstoring.
Warmte ontsnapt en de interne organisatie wordt tijdelijk verstoord.
Dat betekent natuurlijk niet dat je nooit in een bijenvolk mag kijken. Inspecties zijn soms noodzakelijk. Maar niet iedere vraag vereist het openen van de kast.
Veel informatie kun je verzamelen door rustig voor de vliegopening te gaan zitten.
Kijk bijvoorbeeld naar:
- vliegactiviteit;
- stuifmeelaanvoer;
- dode bijen voor de kast;
- gevechten bij de vliegopening;
- bijen met afwijkend gedrag of misvormingen.
Leer eerst kijken en open daarna pas de kast als daar aanleiding voor is.
5. Voorkom grote concentraties bijenvolken
In de natuur leven honingbijenvolken verspreid over het landschap. Op een bijenstand zetten wij soms veel volken op korte afstand van elkaar.
Praktisch, maar kan negatieve gevolgen hebben voor de bijengezondheid.
Seeley & Smith (2015) vergeleken bijenvolken die dicht bij elkaar op een bijenstand stonden met volken die verspreid waren opgesteld. Bij de dicht bij elkaar geplaatste volken trad meer vervliegen op. Ook konden varroamijten zich door vervliegen en roverij tussen volken verspreiden.
Dat vind ik een belangrijk inzicht.
Grote concentraties bijenvolken zijn dus niet alleen vanuit het oogpunt van voedselbeschikbaarheid een risico. Ook voor de gezondheid van de honingbijen zelf kan de manier waarop we volken opstellen grote gevolgen hebben.
Werksters en darren kunnen door vervliegen in een naastgelegen kast terechtkomen en bij roverij ontstaat intensief contact tussen verschillende volken. Parasieten en ziekteverwekkers kunnen langs deze routes van het ene volk naar het andere worden verspreid.
Voorkom daarom waar grote concentraties bijenvolken. Houd rekening met de draagkracht van de omgeving én met andere bestuivers die van hetzelfde landschap afhankelijk zijn.
6. Houd varroa onder controle
De varroamijt (Varroa destructor) is de belangrijkste bedreiging voor honingbijen.
De schade wordt niet alleen veroorzaakt door de mijt zelf.
Varroa speelt een belangrijke rol bij de verspreiding van virussen. Martin et al. (2012) lieten bijvoorbeeld zien hoe de komst van varroa de virussamenstelling binnen honingbijpopulaties kan veranderen en de dominantie van bepaalde varianten van het Deformed Wing Virus (DWV) kan bevorderen.
Ook Dainat et al. (2012) vonden een sterke relatie tussen varroa, DWV en een verkorte levensduur van winterbijen.
Daarom is meten belangrijk.
Door gedurende het seizoen de varroabesmetting te volgen, krijg je inzicht in de ontwikkeling van de mijtpopulatie en kun je bepalen wanneer ingrijpen noodzakelijk is.
Behandel dus niet alleen omdat het op de kalender staat, maar probeer je handelen te baseren op wat er daadwerkelijk in het volk gebeurt.
Op langere termijn ligt er bovendien een interessante uitdaging: bijen selecteren die zelfredzaam zijn en steeds beter zelf met varroa kunnen omgaan.
7. Voorkomen is beter dan genezen
Veel problemen met bijengezondheid kun je niet oplossen met een middel uit een flesje.
Preventie begint bij aansluiten op manier waarom bijen van nature leven én hygiënisch imkeren.
Werk met schoon materiaal, wisselen geen ramen uit tussen volken en vernieuw oude raten regelmatig. Wees terughoudend met het verenigen van onbekende of verzwakte volken en let goed op verschijnselen die kunnen wijzen op broedziekten.
Vergelijk bovendien je volken met elkaar.
Wanneer vier volken volop vliegen en één volk nauwelijks activiteit vertoont, vertelt dat je iets.
Hetzelfde geldt in de kast. Wanneer de meeste volken een mooi broednest hebben en één volk een sterk afwijkend broedpatroon laat zien, is dat reden om beter te kijken.
Afwijkingen ten opzichte van andere volken op dezelfde standplaats kan een eerste aanwijzing zijn dat er iets aan de hand is.
Dat goed management belangrijk is, blijkt ook uit grootschalig Europees onderzoek. Jacques et al. (2017) vonden bij duizenden onderzochte bijenstanden verbanden tussen overleving van volken, ziektebestrijding en de kennis en werkwijze van de imker.
8. Maak gebruik van de natuurlijke afweer van het volk
Honingbijen staan niet machteloos tegenover ziekteverwekkers.
Een bijenvolk beschikt over verschillende verdedigingsmechanismen die gezamenlijk ook wel sociale immuniteit worden genoemd.
Een mooi voorbeeld is propolis.
Bijen verzamelen harsen van planten en gebruiken deze om kieren en oppervlakken in hun nest te bedekken. Simone, Evans & Spivak (2009) laten zien dat deze harsen onderdeel zijn van de afweer van het bijenvolk tegen micro-organismen.
Ook hygiënisch gedrag speelt een belangrijke rol. Werksters kunnen afwijkend of ziek broed herkennen, de cel openen en het aangetaste broed verwijderen.
Als imker kun je rekening houden met deze natuurlijke verdedigingsmechanismen. Niet ieder natuurlijk proces hoeft door ons te worden overgenomen of gestuurd.
Ruimte geven aan het natuurlijke gedrag van het bijenvolk is onderdeel van goede bijengezondheid.
9. Leer goed observeren
Misschien wel het belangrijkste gereedschap voor bijengezondheid is goed observeren en begrijpen wat je ziet.
Hoe beter je weet hoe een gezond bijenvolk eruitziet en zich gedraagt, hoe sneller afwijkingen opvallen.
Kijk daarom regelmatig naar je volken zonder meteen iets te doen.
Hoe is de vliegactiviteit? Komt er stuifmeel binnen? Hoe ziet het broed eruit? Is het broednest aaneengesloten? Zijn er afwijkende larven? Zie je bijen met misvormde vleugels? Liggen er opvallend veel dode bijen voor de kast?
Bijengezondheid begint met herkennen wat normaal is.
Bijengezondheid is meer dan ziekten bestrijden
Gezonde bijenvolken krijg je niet alleen door ziekten te herkennen en te behandelen.
Bijengezondheid begint bij de basis:
- een geschikte standplaats;
- voldoende en gevarieerd voedsel;
- een goed nestklimaat;
- zo min mogelijk verstoring;
- geen grote concentraties bijenvolken;
- monitoren van varroa en alleen behandelen als dat nodig is;
- goede hygiëne;
- ruimte voor de natuurlijke afweer van het volk;
- regelmatig observeren.
Tot Slot
Wil je hier meer over weten of zoek je praktische handvatten om je eigen bijenvolken gezond te houden? Binnenkort lanceren we onze nieuwe Cursus Bijengezondheid.
Het uitgangspunt van de cursus is de natuurlijke levenswijze van honingbijen. Hoe houden bijenvolken zichzelf van nature gezond? Hoe gaan ze om met ziekteverwekkers en parasieten? En welke rol spelen nestklimaat, voeding, propolis en raatvernieuwing daarbij?
Vanuit die basis kijken we naar wat jij als imker kan doen om de natuurlijke weerbaarheid van een bijenvolk zoveel mogelijk te ondersteunen. Ondank alle goede zorg kunnen bijenvolken toch ziek worden en is ingrijpen noodzakelijk. Daarom leer je in de cursus ook hoe je gezonde en zieke bijenvolken van elkaar onderscheidt en hoe je belangrijke broedziekten, ziekten bij volwassen bijen, varroa en virussen herkent.
Maar vooral leer je kijken naar je bijenvolken: wat is normaal, wanneer wijkt iets af en wanneer moet je in actie komen?
Daarover binnenkort meer.
Veelgestelde vragen over bijengezondheid
Hoe herken je een gezond bijenvolk?
Een gezond bijenvolk vertoont tijdens het seizoen goede vliegactiviteit, brengt stuifmeel binnen en heeft voldoende voedselvoorraad. In de kast zie je een compact broednest met broed in verschillende ontwikkelingsstadia.
Let vooral op veranderingen en verschillen tussen volken. Wanneer één volk zich duidelijk anders gedraagt dan andere volken op dezelfde standplaats, is dat reden om beter te kijken.
Hoe ziet gezond bijenbroed eruit?
Gezond broed vormt meestal een compact en vrij regelmatig broednest. Jonge larven zijn helder wit en liggen in een natuurlijke C-vorm in de cellen. Gesloten werksterbroed heeft overwegend vlakke dekseltjes.
Een gatenachtig broedpatroon betekent niet automatisch dat het volk ziek is. Het is wel aanleiding om beter te kijken naar de larven, het gesloten broed en de algemene toestand van het volk.
Hoe voorkom je ziekten bij honingbijen?
Bijenziekten zijn nooit volledig te voorkomen, maar je kunt de kans op problemen wel verkleinen.
Zorg voor een geschikte standplaats, voldoende voedsel en een goed nestklimaat. Werk hygiënisch, vernieuw oude raten regelmatig en voorkom uitwisseling van materiaal tussen volken.
Daarnaast is het belangrijk om varroa te monitoren en je bijenvolken regelmatig te observeren.
Wat zijn belangrijke ziekten en bedreigingen voor honingbijen?
Belangrijke ziekten en bedreigingen zijn onder andere varroa en de daarmee samenhangende virussen, Nosema, Amerikaans vuilbroed, Europees vuilbroed, kalkbroed en verschillende andere aandoeningen.
Daarnaast kunnen vergiftiging en nieuwe bedreigingen zoals de kleine kastkever en Tropilaelaps op termijn een risico worden.
Niet iedere ziekte vraagt om dezelfde aanpak. Een goede diagnose is daarom belangrijk voordat je maatregelen neemt.
Waarom is varroa zo gevaarlijk voor honingbijen?
De varroamijt (Varroa destructor) parasiteert op honingbijen en hun broed. De mijt veroorzaakt directe schade, maar is vooral gevaarlijk doordat zij een belangrijke rol speelt bij de overdracht en verspreiding van virussen.
Een bekend voorbeeld is het Deformed Wing Virus (DWV).
Daarom is het belangrijk om de varroabesmetting gedurende het seizoen te volgen en in te grijpen wanneer dat noodzakelijk is.
Hoe vaak moet je een bijenvolk controleren?
Een bijenvolk controleren betekent niet automatisch dat je de kast moet openen.
Veel informatie krijg je door regelmatig naar de vliegopening te kijken. Let bijvoorbeeld op vliegactiviteit, stuifmeelaanvoer, dode bijen, roverij en afwijkend gedrag.
Hoe vaak je de kast daadwerkelijk moet openen, hangt af van het seizoen en de situatie. Open een volk met een doel en voorkom onnodige inspecties.
Is een groot en sterk bijenvolk automatisch gezond?
Nee. Een groot bijenvolk kan ogenschijnlijk sterk zijn en toch een hoge varroabesmetting of andere gezondheidsproblemen hebben. Bij een hoge varroabesmetting of voedsel tekort kan een groot bijenvolk in korte tijd helemaal instorten tot er niet veel meer over is dan een handjevol bijen.
Kijk daarom niet alleen naar het aantal bijen. Broedkwaliteit, voedselvoorraad en varroabesmetting gedurende het seizoen geven samen een beter beeld van de gezondheid.
Kunnen honingbijen zichzelf tegen ziekten beschermen?
Ja. Honingbijen beschikken individueel én als volk over verschillende natuurlijke verdedigingsmechanismen.
Werksters kunnen bijvoorbeeld ziek of afwijkend broed verwijderen. Propolis speelt een rol in de verdediging tegen micro-organismen en ook processen zoals raatvernieuwing en broedpauzes kunnen invloed hebben op ziekteverwekkers en parasieten.
Als imker kun je rekening houden met deze natuurlijke processen en proberen de zelfredzaamheid van het volk zoveel mogelijk te ondersteunen.
Tot slot
Bijengezondheid begint niet bij het herkennen van een zieke bij.
Het begint bij begrijpen hoe een gezond bijenvolk leeft.
Wie weet wat normaal is, ziet eerder wanneer iets afwijkt. En wie rekening houdt met voeding, huisvesting, varroa, hygiëne en het natuurlijke gedrag van honingbijen, geeft zijn volken een betere uitgangspositie om gezond te blijven.
Dat is misschien wel de belangrijkste stap die je als imker kunt zetten: niet alleen leren hoe je ziekte bestrijdt, maar vooral leren hoe je gezondheid ondersteunt.
Bronnen
Di Pasquale, G., Salignon, M., Le Conte, Y., et al. (2013). Influence of Pollen Nutrition on Honey Bee Health: Do Pollen Quality and Diversity Matter? PLoS ONE 8(8): e72016. DOI: 10.1371/journal.pone.0072016.
Di Pasquale, G., Alaux, C., Le Conte, Y., et al. (2016). Variations in the Availability of Pollen Resources Affect Honey Bee Health. PLoS ONE 11(9): e0162818. DOI: 10.1371/journal.pone.0162818.
Seeley, T.D. & Morse, R.A. (1976). The nest of the honey bee (Apis mellifera L.). Insectes Sociaux 23: 495–512. DOI: 10.1007/BF02223477.
Stabentheiner, A., Kovac, H. & Brodschneider, R. (2010). Honeybee Colony Thermoregulation – Regulatory Mechanisms and Contribution of Individuals in Dependence on Age, Location and Thermal Stress. PLoS ONE 5(1): e8967.
Seeley, T.D. & Smith, M.L. (2015). Crowding honeybee colonies in apiaries can increase their vulnerability to the deadly ectoparasite Varroa destructor. Apidologie 46: 716–727. DOI: 10.1007/s13592-015-0361-2.
Martin, S.J., Highfield, A.C., Brettell, L., et al. (2012). Global Honey Bee Viral Landscape Altered by a Parasitic Mite. Science 336: 1304–1306. DOI: 10.1126/science.1220941.
Dainat, B., Evans, J.D., Chen, Y.P., Gauthier, L. & Neumann, P. (2012). Dead or Alive: Deformed Wing Virus and Varroa destructor Reduce the Life Span of Winter Honeybees. Applied and Environmental Microbiology 78(4): 981–987. DOI: 10.1128/AEM.06537-11.
Simone, M., Evans, J.D. & Spivak, M. (2009). Resin collection and social immunity in honey bees. Evolution 63(11): 3016–3022. DOI: 10.1111/j.1558-5646.2009.00772.x.
Jacques, A., Laurent, M., EPILOBEE Consortium, et al. (2017). A pan-European epidemiological study reveals honey bee colony survival depends on beekeeper education and disease control. PLoS ONE 12(3): e0172591. DOI: 10.1371/journal.pone.0172591.









