Page content

Bijenkorf

Bijenkorf

Een bijenkorf is een door mensen gemaakte bijenwoning. De meeste bijenkorven werden uit roggestro of buntgras vervaardigd. De strokorf was eeuwenlang een goedkope en praktische bijenwoning.

In de beginfase van de bijenteelt oogstte de mens honing (en broed) van bijenkolonies, die zich genesteld hadden in grotten of holle bomen. Later werden de holle delen van die bijenbomen uitgezaagd en kon de kolonie worden meegenomen. Daarna kwam de periode, waarin de mens zelf woningen voor bijen ging maken; het houden van bijen deed toen zijn intrede.

Deze bijenwoningen werden van zeer verschillend materiaal vervaardigd. In de Arabische landen maakte men buizen of potten van klei, die in muurtjes werden gestapeld en waarin bijenvolken werden gehouden door middel een achter behandelingssysteem. In die gebieden kunnen we deze wijze van bijenteelt nu nog aantreffen.

Afgeleid van de holle boom is de nu nog in Spanje en Portugal voorkomende bijenkorf, gemaakt van stukken schors van de kurkeik. Ook de wilgentenen korf die in Griekenland voorkomt en de van stro of gras gemaakte korven uit onze streken zijn van dit type. Vaak treffen we ook combinaties van deze technieken aan, zoals de met leem bestreken wilgentenen korf, of de met buntgras gemaakte bisschopsmuts. Koeienmest werd daarbij vaak als pleistermateriaal toegepast. Bij al deze korven is de toegang tot de korf aan de onderzijde.

Vanaf de middeleeuwen deed de bijenkorf zijn intrede in Europa. De uit stro gevlochten bijenkorf heeft vele eeuwen dienst gedaan als bijenbehuizing. Hij kwam voor in geheel West-Europa en wordt nu nog aangetroffen in de heidegebieden. Uit nostalgie siert de bijenkorf nog menig bijenstalletje. De bijen bouwen hun raten vast aan de wanden. Het raatwerk wordt ondersteund door dwars door de korft gestoken spijlen. In tegenstelling tot de kastimkerij, wordt in een bijenkorf niet van losse, maar van vaste raatbouw gesproken. De raatbouw probeert de imker regelmatig te laten verlopen, anders ontstaat een onregelmatig patroon (warbouw).

De beperkte ruimte van een bijenkorf, 25 tot 30 liter, wordt door een zich vlot ontwikkelend volk snel volgebouwd. Wanneer het bijenvolk de gehele korf vult, leidt dat tot zwermen, zodat men de korfteelt niet geheel ten onrechte zwermbijenteelt noemt. In het streven naar grotere honingoogsten zijn allerlei variaties op de korf ontstaan, maar geen ervan bood een echte verbetering.

Fraai uitziende bijenkorven zijn de bisschopsmuts en de zwanenhalskorf. Deze hebben een binnenwand van wilgenteen met een omhulsel van buntgras, dat er met ijzerdraad op bevestigd is. De bisschopsmuts liep naar boven puntig toe, de zwanehalskorf was voorzien van een soort handvat in de vorm van een zwanenhals. Het waren onpraktische korven. Ze konden namelijk bij het behandelen niet op de kop worden gezet. Bovendien moesten ze vanwege de harde wilgentenen binnenwand van binnenuit worden gespijld. Bij het honingoogsten was het uitnemen van de spijlen daarom een zeer omslachtige handeling.

De Lüneburger korf was in Duitse heidegebieden een zeer bekend verschijnsel, een korf met een opvallend dikke wand en het vlieggat aan de bovenzijde.

De vierkante Veluwse korven uit Uddel zijn aanmerkelijk kleiner en je kan ze zien als overgangsmodel naar de bijenkast. Ze bestaan uit twee of drie kamertjes, waarbij de honingkamer is voorzien van raampjes.

Een echt overgangsmodel tussen korf en kast was de Gravenhorster boogkorf, die in ons land in grote aantallen werd aangetroffen, voornamelijk op de Veluwe. Hij was boogvormig en voorzien van eveneens boogvormige raampjes, uitgevoerd in drie versies: voor acht, twaalf en zestien raampjes.

    Comment Section

    0 reacties op “Bijenkorf

    Plaats een reactie


    *