Concurrentie tussen honingbijen en wilde bijen: onderzoeken en nuance

De discussie rond de concurrentie van honingbijen op wilde bijen is de afgelopen jaren steeds prominenter geworden. Imkers worden verantwoordelijk gehouden voor de achteruitgang van de biodiversiteit. Dit verdient nuance. Als imker én ecoloog wil ik een genuanceerd beeld schetsen door middel van een grondige analyse van 13 wetenschappelijke onderzoeken en publicaties. Voor elk onderzoek geef ik een samenvatting, de conclusie van de onderzoekers, en mijn duiding vanuit mijn praktijkervaring als imker en ecoloog.


Wignall et al. (2020) – Seizoensgebonden concurrentie

Titel origineel: Seasonal variation in exploitative competition between honeybees and bumblebees.
Gepubliceerd in: Oecologia (2020) 192:351–361

Methode

Het onderzoek vond plaats in Zuid-Engeland, waar lavendelstruiken gebruikt werden als uniforme voedselbron voor bijen. De onderzoekers plaatsten kooien over bloemen om bijensoorten selectief uit te sluiten (exclusion trials). Ze maten het effect van de afwezigheid van hommels op het foerageergedrag van honingbijen en vice versa, in drie seizoenen: lente, zomer en herfst.

Resultaten

In de zomer steeg het aantal honingbijen significant in de afwezigheid van hommels, wat wijst op exploitatieconcurrentie. In voorjaar en najaar werd dit effect niet waargenomen. Nectarproductie per bloem was hoger in de koele seizoenen. De concurrentie was dus seizoensgebonden en vooral merkbaar wanneer bloemen schaars zijn en honingbijendichtheid hoog.

Conclusie van de auteurs

De auteurs concluderen dat concurrentie tussen honingbijen en hommels niet constant is, maar piekt in de zomer. Ze pleiten voor meer seizoensspecifiek onderzoek en voorzichtige bijenplaatsing tijdens drachtarme perioden.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Cane & Tepedino (2016) – Theoretische pollenconcurrentie

Titel origineel: Gauging the Effect of Honey Bee Pollen Collection on Native Bee Communities. Gepubliceerd in: Conservation Letters 9(5):326–333

Methode

De auteurs gebruikten theoretische modellen om het pollenverbruik van honingbijenvolken te schatten en vergeleken dat met het aantal wilde bijenlarven dat met hetzelfde stuifmeel grootgebracht zou kunnen worden. Ze stelden het HUM-model op (Honeybee Use Model) om in te schatten hoeveel pollen door bijenvolken uit het ecosysteem wordt gehaald.

Resultaten

Een bijenvolk gebruikt tot 20 kg stuifmeel in een bloeiseizoen – dat komt overeen met de behoeften voor honderdduizenden wilde bijen. In hun rekenvoorbeeld verbruikt een bijenstand van 40 volken evenveel stuifmeel als 4 miljoen wilde bijen. Dat is vooral in schrale of geïsoleerde gebieden mogelijk problematisch.

Conclusie van de auteurs

De auteurs waarschuwen dat honingbijen door hun grote aantallen en efficiëntie mogelijk een substantiële ecologische impact hebben. Het HUM-model is bruikbaar voor beleidsmakers om het risico van overbeweiding door bijen te beoordelen.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Pasquali et al. (2025) – Concurrentie in een eilandecosysteem

Titel origineel: Island-wide removal of honeybees reveals exploitative trophic competition with strongly declining wild bee populations.
Gepubliceerd in: Current Biology (2025), 35: 1576–1590

Methode

Op het Italiaanse eiland Giannutri zijn in de periode 2021 tot 2024 de 18 bijenkasten, die op het eiland staan sinds 2018, op geselecteerde dagen tijdelijk gesloten waardoor honingbijen niet konden foerageren. De onderzoekers vergeleken nectarhoeveelheden, stuifmeelhoeveelheden en foerageergedrag van wilde bijen met momenten waarop honingbijen wel konden uitvliegen.

Resultaten

Bij afwezigheid van honingbijen steeg de nectar- en stuifmeelbeschikbaarheid per bloem. Wilde bijen pasten hun gedrag aan bij aanwezigheid van honingbijen: ze foerageerden eerder op de dag en langer. Transectmonitoring liet een alarmerende afname van ongeveer 80% zien bij twee wilde bijensoorten over een periode van vier jaar.

Conclusie van de auteurs

Dit experiment toont aan dat concurrentie door honingbijen kan leiden tot gedragsverandering én populatie-afname van wilde bijen in een gesloten ecosysteem. De auteurs pleiten daarom voor strengere regulering van bijen plaatsen in kleine beschermde gebieden.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

Giannutri, een klein mediterraan eiland (2,6 km²). Sinds 2018 plaatsen imkers er jaarlijks 18 bijenvolken van december tot juni, waarbij het eiland wordt gebruikt als geïsoleerde bevruchtingsstation. Dit resulteert in een dichtheid van ongeveer 7 bijenvolken per km², veel hoger dan het Europese gemiddelde van 4,2 volken per km² en bovendien, het eiland is veel kleiner dan het typische foerageerbereik van een honingbijvolk (≈ 28 km²!). De beperkte bloemendiversiteit van de mediterrane maquis leid er toe dat honingbijen en wilde bijen zijn aangewezen op dezelfde - beperkte - voedselbronnen. Er ontbreken gegevens van vóór de introductie van de honingbijen op Giannutri waardoor het onmogelijk is de achteruitgang van wilde bijen sinds die tijd te beoordelen. Andere factoren kunnen een rol hebben gespeeld en hebben bijgedragen aan de achteruitgang van wilde bijenpopulaties. Het Middellandse Zeegebied is een hotspot van klimaatverandering: stijgende temperaturen en toenemende droogte, waardoor de bloemrijkdom en nectar- en stuifmeelaanbod kan verminderen en daardoor het foerageergedrag en de overleving van bestuivers beïnvloeden.  Zo nam de bloemenrijkdom gedurende de onderzoeksperiode af en is dit mogelijk een drijvende factoren achter de waargenomen veranderingen.

Forup & Memmott (2005) – Honingbijen en hommels op heide

Titel origineel: The relationship between the abundances of bumblebees and honeybees in a native habitat.
Gepubliceerd in: Ecological Entomology (2005) 30: 336–344

Methode

De onderzoekers telden honingbijen en hommels op 19 laagland heidegebieden in Zuid-Engeland. Op vier van deze locaties onderzochten ze het bloembezoek van hommels gedurende het bloeiseizoen en vergeleken dit met de aanwezigheid van honingbijen. Ze keken ook of hommels hun bloemkeuze aanpasten wanneer honingbijen dominant waren.

Resultaten

Op locaties met meer honingbijen kwamen gemiddeld minder hommels voor. Langtongige hommels zoals Bombus pascuorum pasten hun bloembezoek aan. Korttongige hommels deden dit niet. Er werd geen verschil gevonden in de soortenrijkdom van hommels.

Conclusie van de auteurs

De auteurs concluderen dat er bij concurrentie gedragsverandering optreedt, maar dat dit niet leidt tot uitsluiting. Andere ecologische factoren spelen waarschijnlijk ook een rol.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Goulson & Sparrow (2009) – Concurrentie en hommelgrootte

Titel origineel: Evidence for competition between honeybees and bumblebees; effects on bumblebee worker size.
Gepubliceerd in: Biodiversity and Conservation (2009) 18: 495–503

Methode

In Zuid-Schotland maten de auteurs de thoraxbreedte van werksters van vier hommelsoorten (Bombus terrestris, Bombus lucorum, Bombus pascuorum en Bombus lapidarius) op plekken met en zonder honingbijen. De thoraxbreedte werd gebruikt als maat voor lichaamsgrootte, en daarmee als indirecte indicator voor voedselbeschikbaarheid tijdens het larvestadium.

Resultaten

Het onderzoek toont aan dat werksters van vier algemene hommelsoorten kleiner zijn in gebieden waar zij samen met honingbijen voorkomen. Er werd geen effect gevonden op het aantal hommels of het aantal soorten.

Conclusie van de auteurs

De werkstergrootte kan kleiner zijn in gebieden waar honingbijen aanwezig zijn, vanwege een verminderde voedselbeschikbaarheid tijdens het larvestadium.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

Hoewel het onderzoek aantoont dat hommelwerksters kleiner zijn in gebieden waar zij samen voorkomen met honingbijen is het evengoed denkbaar dat het verband dat in deze studie is gevonden, niet causaal is, maar worden beïnvloed door andere, niet geïdentificeerde factoren. Hommelwerksters zijn sowieso erg variabel in grootte. Ten tijde van het onderzoek (tussen 1 en 22 augustus) waren drachtbronnen schaars en alle vier de hommelsoorten, evenals de honingbijen, foerageerden op dezelfde beperkte aanbod van bloemsoorten: wilgenroosje (46%) en knoopkruid (26,6%). Dit betekent niet per se dat de hommelpopulatie afneemt. De onderzochte hommelsoorten bleken wijdverspreid en talrijk aanwezig. De afname van drachtbronnen naarmate het seizoen vordert kan leiden tot een sterker negatief verband tussen honingbijen en hommels (maar ook tussen hommelsoorten en andere bloembezoekende insecten) later in het seizoen. In meer diverse bloemrijke landschappen of eerder in het jaar zou je meer bloem differentiatie tussen soorten kunnen verwachten.

Als honingbijen inderdaad invloed hebben op hommels, zoals het onderzoek suggereert dan is voorzichtigheid geboden bij het plaatsen van bijenkasten; zo is het verstandig geen grote aantallen bijenkasten te plaatsen in of nabij gebieden waar drachtbronnen schaars zijn en zeldzame hommelsoorten voorkomen.

Henry & Rodet (2018) – Honingbijen en wilde bijen in stedelijk gebied

Titel origineel: Controlling the impact of the managed honeybee on wild bees in protected areas.
 Gepubliceerd in: Biological Conservation 221 (2018): 76–83

Methode

In de Parijse regio onderzochten de auteurs 15 groene zones, waaronder natuurreservaten, stadsparken en semi-natuurlijke graslanden. Ze telden wilde bijen en honingbijen op bloemen en bepaalden of er een relatie bestond met de afstand tot honingbijenkasten. Er werd ook gekeken naar bloemsoortenrijkdom.

Resultaten

De abundantie van wilde bijen nam af naarmate de nabijheid tot honingbijenkasten toenam. Het effect was het sterkst bij bloemensoorten die door zowel wilde bijen als honingbijen werden gebruikt. Honingbijen bleken sterk geconcentreerd rond kasten, terwijl wilde bijen gelijkmatiger verspreid waren. Bloemendiversiteit bleef gelijk, maar de benutting ervan door wilde bijen nam af in de buurt van bijenkasten.

Conclusie van de auteurs

De auteurs concluderen dat honingbijen mogelijk een negatieve impact hebben op wilde bijen in voedselrijke, stedelijke gebieden. Ze pleiten voor regulatie van bijenhouderij in beschermde zones.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Hudewenz & Klein (2013) – Experimentele concurrentie bij phacelia

Titel origineel: Competition between honey bees and wild bees depends on landscape context
Gepubliceerd in: Ecological Indicators 24 (2013): 120–126

Methode

In Zuid-Duitsland werd een experiment opgezet waarbij honingbijvolken vlakbij phaceliapercelen werden geplaatst. De onderzoekers vergeleken vier locaties: met en zonder bijenvolken én met een eenvoudig (akkerland) of complex (met natuur) landschap. Ze telden bloembezoekende insecten op phacelia en onderzochten veranderingen in gedrag en aantallen.

Resultaten

In landschappen met weinig natuurlijke bloemen verdrongen honingbijen de wilde bijen op phacelia. In bloemrijke landschappen bleven wilde bijen actief ondanks de aanwezigheid van honingbijen. De grootste negatieve effecten werden waargenomen in simpele agrarische landschappen zonder alternatieve voedselbronnen.

Conclusie van de auteurs

De auteurs concluderen dat het risico op concurrentie afhankelijk is van de landschappelijke context. In bloemrijke gebieden is ruimte voor co-existentie, maar in voedselarme regio’s kunnen honingbijen wilde bijen verdringen.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Hudewenz & Klein (2015) – Bloembezoek en bestuivingsdiensten

Titel origineel: Reducing competition for pollen among pollinators: effects of honey bee density and flower abundance on bumblebee foraging and plant seed set.
Gepubliceerd in: Oecologia (2015) 179: 593–604

Methode

De studie vond plaats in Zuid-Duitsland. Honingbijenvolken werden op verschillende afstanden van bloeiende percelen phacelia geplaatst. De onderzoekers maten het bloembezoek door honingbijen en hommels, het foerageergedrag (duur en bloemsoort) en de zaadzetting van planten. Ze bekeken hoe deze factoren beïnvloed werden door bloemendichtheid en kastafstand.

Resultaten

Bij hoge honingbijendichtheid verminderde het bloembezoek door hommels, vooral wanneer de bloemendichtheid laag was. Ook de zaadzetting van phacelia werd negatief beïnvloed bij hoge honingbijendichtheid. In bloemrijke situaties waren de effecten kleiner, maar nog steeds aantoonbaar.

Conclusie van de auteurs

Hoge dichtheden honingbijen kunnen andere bestuivers verdringen én de bestuivingsdiensten aan planten verminderen. Landschappelijke bloemendichtheid en kastafstand zijn cruciale factoren bij het bepalen van de impact.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Lindström et al. (2016) – Invloed van bijendichtheid op wilde bijen

Titel origineel: Experimental evidence for pollinator competition in a field setting.
Gepubliceerd in: Oecologia (2016) 181: 817–826

Methode

In Zweden werden in een experimenteel veld zes bijenvolken bijgeplaatst rondom phacelia. Gedurende meerdere weken maten de onderzoekers het aantal bloembezoeken door honingbijen en wilde bijen, en analyseerden ze of er aanwijzingen waren voor concurrentie.

Resultaten

Na toevoeging van honingbijen daalde het aantal wilde bijen op de bloemen aanzienlijk. Wilde bijen weken uit naar andere delen van het perceel of andere bloemensoorten. Er werd duidelijke ruimtelijke scheiding tussen de soorten waargenomen.

Conclusie van de auteurs

De studie levert experimenteel bewijs dat concurrentie optreedt in situaties met gedeelde bloemensoorten. Wilde bijen kunnen worden verdrongen uit delen van het landschap door honingbijen.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Ropars et al. (2019) – Honingbijen en bestuiving in Parijs

Titel origineel: Wild pollinator activity negatively related to honey bee colony densities in urban context.
 Gepubliceerd in: Science of The Total Environment 685 (2019): 364–370

Methode

In 24 Parijse parken en tuinen onderzochten de auteurs de relatie tussen honingbijenkastendichtheid en activiteit van wilde bestuivers. Ze gebruikten een combinatie van veldobservaties, GIS-data en kastenregistratie om de invloed van honingbijen op de aanwezigheid van wilde bijen en hun bestuivingsactiviteit vast te stellen.

Resultaten

Hoge kastendichtheid was geassocieerd met lagere activiteit van wilde bijen, vooral op bloemensoorten die ook door honingbijen werden gebruikt. Er werd minder bestuivingsactiviteit door wilde bijen waargenomen op locaties met veel honingbijen.

Conclusie van de auteurs

De auteurs waarschuwen dat stedelijke bijenteelt met hoge kastendichtheid een risico vormt voor wilde bestuivers. Ze adviseren het aantal kasten per oppervlakte-eenheid te reguleren in steden, met name in parken en ecologisch waardevolle zones.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...


Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) – Dichtheidseffecten in de landbouw

Titel origineel: Resource overlap and possible competition between honey bees and wild bees in central Europe
 Gepubliceerd in: Journal of Applied Ecology 37 (2000): 977–987

Methode

De auteurs onderzochten in Duitsland de relatie tussen de afstand tot honingbijenvolken en het voorkomen van wilde bijen op akkers en graslanden. Er werd gekeken naar bloembezoek, bloemdichtheid en overlap in bloemgebruik. De studie vergeleek locaties dicht bij en ver van honingbijkasten.

Resultaten

Er was een duidelijke overlap in bloemgebruik tussen honingbijen en wilde bijen, vooral op veelvoorkomende akkeronkruiden. Wilde bijen kwamen minder vaak voor in de directe nabijheid van honingbijkasten. De totale bloembezetting nam toe door honingbijen, maar de relatieve bijdrage van wilde bijen daalde.

Conclusie van de auteurs

Concurrentie is waarschijnlijk bij hoge kastdichtheden, zeker als er beperkte dracht is. De auteurs wijzen op het belang van ruimtelijke spreiding van kasten en voldoende voedsel.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Walther-Hellwig et al. (2006) – Honingbijen beïnvloeden hommeldiversiteit

Titel origineel: Increased density of honeybee colonies affects foraging bumblebees
Gepubliceerd in: Journal of Applied Entomology 130 (2006): 57–64

Methode

De studie werd uitgevoerd in graslanden en tuinen rond Freiburg, Duitsland. De onderzoekers telden het aantal bloembezoeken door hommels vóór en na het bijplaatsen van honingbijenvolken in de buurt. Ze identificeerden hommelsoorten en analyseerden of er verschuivingen optraden in aantallen of soortenrijkdom.

Resultaten

Na toevoeging van honingbijenvolken daalde het aantal bloembezoeken door hommels, en ook het aantal hommelsoorten nam af. Vooral late bloeiers en soorten met overlappende bloemvoorkeuren vertoonden afname. De totale hommeldiversiteit werd negatief beïnvloed.

Conclusie van de auteurs

Hoge kastdichtheden kunnen negatieve effecten hebben op hommelgemeenschappen, vooral in bloemenarme perioden of habitats. Het effect varieerde per soort, afhankelijk van voedselniche en concurrentiekracht.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Valido et al. (2019) – Concurrentie en bestuivingskwaliteit

Titel origineel: Honeybees disrupt the structure and functionality of plant-pollinator networks Gepubliceerd in: Journal of Applied Ecology 56 (2019): 2408–2418

Methode

De onderzoekers analyseerden in het Nationaal Park Teide op Tenerife het effect van honingbijen op de structuur van plant-bestuivernetwerken. Ze vergeleken locaties met een hoge en lage dichtheid aan honingbijen en verzamelden gegevens over welke insecten welke bloemen bezochten. Ook werd gekeken naar de functionele gevolgen voor plantenbestuiving, zoals stuifmeeltransport en vruchtzetting.

Resultaten

Op locaties met veel honingbijen was de bestuivingsgemeenschap minder divers en meer gedomineerd door honingbijen. De netwerkstructuur veranderde: er ontstonden minder verbindingen tussen soorten, en de rol van gespecialiseerde bestuivers nam af. Honingbijen bleken minder efficiënt in het overbrengen van conspecifiek stuifmeel (stuifmeel van dezelfde plantensoort), wat leidde tot verminderde bestuivingskwaliteit.

Conclusie van de auteurs

De introductie van honingbijen kan de samenstelling en functie van natuurlijke plant-bestuivingsnetwerken verstoren, met negatieve gevolgen voor plantreproductie. Ze roepen op tot beperking van de plaatsing van bijenvolken in ecologisch kwetsbare gebieden.

Mijn reflectie als imker en ecoloog

...

Koster (1989) - Natuurlijke begroeiingen op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied

"Wilgen kunnen langs spoorwegen over kilometers lengte talrijk voorkomen. Op veel plaatsen waar imkers aanwezig zijn onder meer in de omgeving van de lijn Veenendaal-Driebergen worden deze wilgen zo druk door onze honingbijen bezocht dat het op een gonzend lint lijkt. dit muzikale aspect wordt niet alleen gevormd door honingbijen, maar ook duizenden hommels en andere bijensoorten dragen daartoe bij. Men zou verwachten dat honingbijen door hun massale aanwezigheid de inheemse familiegenoten zullen verdringen. Als dit waar zou zijn, waren alle bijen langs de Veenendaalse spoordijk allang uitgestorven. Het is opvallend dat op ca. 600 m afstand van een van onze grootste imkers in Nederland nog zoveel wilde bijensoorten langs het spoor voorkomen."

Koster - De Nederlandse wilde bijen en hun planten

Gepubliceerd op: https://www.denederlandsebijen.nl/Colletes/C.succinctus/Heizijdebij.htm

"Beheer: Onder de huidige omstandigheden is heizijdebij niet bedreigd. De voornaamste voorwaarde voor substantiële populaties is voldoende nest gelegenheid. Primair nestelt heizijdebij op natuurlijke open plekken, maar deze verdwijnen meestal door successie. In de Nederlandse situatie lijken zandkantjes de meeste en waarschijnlijk de beste nestgelegenheid te vormen. Deze zandkantjes grenzen meestal aan vrij intensief gebruikte plekken op en langs heidevelden en heidevegetaties: wandel- en ruiterpaden, oude recreatief gebruikte hessenwegen, brandgangen. Afgezien van het regulieren heidebeheer, is speciaal beheer niet noodzakelijk zolang de lintvormige, met zandkantjes geflankeerde elementen blijven bestaan.

Concurrentie van honingbijen: de plek op de overzichtsfoto werd constant druk door honingbijen bezocht (een luid gezoem ondanks krachtige wind). Omgerekend (geschat) zou het om een aantal bijenvolken per hectare gaan. De heizijdebij (inclusief de heideviltbij, die op de plek op de overzichtsfoto ook talrijk voorkomt), lijkt zich hier niets van aan te trekken. Zoals gezegd, voldoende nestgelegenheid is doorslaggevend voor grote populaties. Concurrentie is dan van ondergeschikt belang."

Tot slot

In de eerste plaats horen honingbijen er gewoon bij. De honingbij (Apis mellifera mellifera) komt van nature in Nederland voor. Helaas zijn wilde bijenvolken een zeldzaamheid geworden. Door verlies aan geschikt habitat en nestgelegenheid (boomholtes) zijn bijenvolken in grote delen van haar natuurlijk verspreidingsgebied afhankelijk geworden van de mens (lees: imkers). Dat imkers "gedomesticeerde" bijen houden maakt daarin geen verschil! Gehouden bijenvolken gedragen zich nog steeds zoals ze zich van nature gedragen en vervullen daarmee ook hun rol in de natuur. 

Waar ik mij zorgen om maak als het gaat om de voedselvoorziening voor wilde bijen en andere bestuivers is de manier waarop gemaaid wordt in natuurgebieden: grote oppervlaktes worden in een keer gemaaid en hoogstens 10% blijft staan als "vlinderstrook". Maar weer terug naar het onderwerp: concurrentie ;-)

Van nature is er ook concurrentie tussen verschillende bijensoorten (inclusief de honingbij), maar ook binnen een soort. Bijvoorbeeld: binnen het vliegbereik van een aardhommelkolonie concurreren individuen van verschillende kolonies met elkaar om de beschikbare voedselbronnen, maar ook met andere bloembezoekende insecten (zweefvliegen, solitaire bijen, kevers, vlinders enz.). De vraag die gesteld moet worden is niet of er concurrentie is, maar of concurrentie leidt tot negatieve staat van instandhouding van een soort of populatie. 

Nu het wintert worden de voerstations in onze tuin volop door pimpelmezen en koolmezen bezocht daardoor kreeg ik het volgende inzicht: koolmezen en pimpelmezen delen nu - maar ook in het broedseizoen - hetzelfde leefgebied. In het broedseizoen eten beide soorten voornamelijk rupsen en spinnen, daarmee zijn het directe voedselconcurrenten van elkaar. Toch kunnen beide soorten - door nuanceverschillen in foerageergedrag? -  succesvol naast elkaar voorkomen. 

Bureaubiologen zien het waarschijnlijk anders, maar op basis van duizenden uren observeren van bestuivende insecten in het veld vind ik geen aanknopingspunten dat honigbijen wilde bijen verdringen. Maar om meer te begrijpen van de relatie tussen honingijen en wilde bijen breid ik in 2026 mijn stuifmeelonderzoek uit naar de relatie tussen honingbijen en de zeldzame zandhommel (Bombus veteranus) in de Biesbosch (met een overdaad aan honingbijen) en de Benningerslikken.

Meer over mijn stuifmeelonderzoek aan hommels vind je hier >>

Gebruikte bronnen

Pasquali et al. (2025) – Island-wide removal of honeybees reveals exploitative trophic competition with strongly declining wild bee populations – https://www.cell.com/current-biology/fulltext/S0960-9822(25)00262-3

Wignall et al. (2020) – Seasonal variation in exploitative competition between honeybees and bumblebees. – https://link.springer.com/article/10.1007/s00442-019-04576-w

Cane & Tepedino (2016) – Gauging the Effect of Honey Bee Pollen Collection on Native Bee Communities – https://conbio.onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1111/conl.12263?campaign=wolacceptedarticle

Forup & Memmott (2005) – The relationship between the abundances of bumblebees and honeybees in a native habitat – https://resjournals.onlinelibrary.wiley.com/doi/abs/10.1111/j.0307-6946.2005.00660.x

Goulson & Sparrow (2009) – Evidence for competition between honeybees and bumblebees; effects on bumblebee worker size – https://link.springer.com/article/10.1007/s10841-008-9140-y

Henry & Rodet (2018) – Controlling the impact of the managed honeybee on wild bees in protected areas – https://www.nature.com/articles/s41598-018-27591-y

Hudewenz & Klein (2013) – Competition between honey bees and wild bees depends on landscape context – https://link.springer.com/article/10.1007/s10841-013-9609-1

Hudewenz & Klein (2015) – Reducing competition for pollen among pollinators: effects of honey bee density and flower abundance on bumblebee foraging and plant seed set. – https://onlinelibrary.wiley.com/doi/full/10.1002/ece3.1762

Lindström et al. (2016) – Experimental evidence for pollinator competition in a field setting – https://royalsocietypublishing.org/doi/10.1098/rspb.2016.1641?cpetoc=#sec-1

Ropars et al. (2019) – Wild pollinator activity negatively related to honey bee colony densities in urban context. – https://journals.plos.org/plosone/article?id=10.1371/journal.pone.0222316

Steffan-Dewenter & Tscharntke (2000) – Resource overlap and possible competition between honey bees and wild bees in central Europe – http://www.bayceer.uni-bayreuth.de/bayceer/en/pub/html/Oecologia2000,122_288-296.pdf

Walther-Hellwig et al. (2006) – Increased density of honeybee colonies affects foraging bumblebees – http://hal.archives-ouvertes.fr/docs/00/89/22/16/PDF/hal-00892216.pdf

Valido et al. (2019) – Honeybees disrupt the structure and functionality of plant-pollinator networks – https://www.nature.com/articles/s41598-019-41271-5

Koster (1989) - Natuurlijke begroeiingen op spoorwegterreinen als voorbeeld van een meer natuurlijk drachtgebied - https://library.wur.nl/ojs/index.php/bijenhouden/article/view/9911/9412

Koster (1987). Gevolgen van het uitzetten van bijenvolken voor andere bloembezoekers no 2. Bijenteelt 89, 6: 182-184 - https://library.wur.nl/ojs/index.php/bijenhouden/article/view/9900/9401